Op 1 juli vertegenwoordigde Koen Stassijns de Vlaamse Auteursvereniging op het eerste Platform voor het literaire middenveld, dat door het VFL georganiseerd werd in het Elzenveld. Hij verwoordde er het standpunt dat de VAV inneemt met betrekking tot de ontwikkelingen in het literaire middenveld; u vindt zijn toespraak hieronder.
Geachte collega’s van het literaire middenveld,
Eerst en vooral dit: Ik spreek hier niet uitsluitend namens mezelf maar wel in naam van het bestuur van de Vlaamse auteursvereniging waarvan ik deel uitmaak. Ten tweede: wanneer we het woord ‘auteur’ in de mond nemen, dan bedoelen we auteurs in alle denkbare disciplines, inclusief de literaire vertalers. Ten derde: in een poging om het gelatineuze begrip ‘middenveld’ af te bakenen, bedoelen wij met het woord ‘middenveld’: alle instanties en verenigingen waarvan het de missie is om, al dan niet met overheidsmiddelen, het individu (in dit geval: de auteur) te helpen, te ondersteunen, te adviseren, te promoten enz. Die instanties en verenigingen zijn daarbij niet uit op eigen winst.
Sinds haar ontstaan, nu ruim 4 jaar geleden, heeft de Vlaamse auteursvereniging er alles aan gedaan om met alle belangrijke spelers van het literaire middenveld, een goede relatie op te bouwen en te onderhouden. We zijn er immers van overtuigd dat het letterenbeleid als doel hoort te hebben dat zoveel mogelijk auteurs hun werk op een professionele manier kunnen uitoefenen en dat een vertrouwensvolle samenwerking van de belangenbehartiger die wij zijn met het middenveld daartoe essentieel is. Wij betwisten dus de rol van de vele intermediaire instanties (Vlaams Fonds voor de Letteren, Stichting Lezen, Passa Porta, Behoud de Begeerte, Vrijstaat O., Poëziecentrum, enz.) niet, maar de Vlaamse overheid moet er wel over waken dat deze instrumenten zo efficiënt en transparant mogelijk hun doelstellingen proberen te bereiken en dat hun middelen in de allereerste plaats de Vlaamse auteurs en hun werk ten goede komen.
We kunnen er niet naast kijken dat vele auteurs het middenveld ervaren als een muur, een muur weliswaar met vele deuren, maar waarop het moeizaam en vaak vruchteloos kloppen is. Bij vele auteurs, die niet tot de selecte groep van auteurs met een grote uitstraling horen, ervaren wij ten overstaan van het middenveld, veel wantrouwen, vaak defaitisme, en zelfs angst. Dit negatieve beeld is niet alleen ontstaan in het doemdenken of het calimerogevoel van de auteurs. We zijn daar goed in, toegegeven, maar in vele gevallen had dat negatieve beeld vermeden kunnen worden door een efficiëntere, humanere communicatie, en een grotere transparantie. Bovendien vindt die communicatie maar beter plaats op voet van gelijkheid en niet vanuit een meester-leerling situatie die als weinig respectvol – en vaak als ronduit ergerlijk ¬– wordt ervaren. Het vingertje wordt o zo snel omhooggestoken. Dergelijke omstandigheden zijn enkel een efficiënte kweekvijver voor misverstanden, frustraties, verdachtmakingen, amper uit te roeien vooroordelen enz... Het maakt het voor ons soms moeilijk om aan onze leden uit te leggen dat er ook goed werk wordt geleverd.
Voor ongeveer alle middenvelders is een transparante communicatie niet alleen middel maar ook doelstelling, lees bestaansreden, en het desondanks falen ervaren wij dan per definitie als een dubbel falen.
Daarom herhalen wij, conform onze visietekst, ons pleidooi voor een brede, geprofessionaliseerde, gecoördineerde en transparante letterensector. U vindt die tekst op onze website.
Het zou ons vandaag te ver leiden om dieper in te gaan op de vier kernbegrippen in onze visie, maar toch lijkt het ons zinvol om de nodige aandacht te besteden aan eerste kernbegrip namelijk: een brede letterensector.
Voor auteurs spelen er veel selectiemechanismen: of je al dan niet een uitgever vindt, of de boekhandels je boek al dan niet inkopen, of de pers het oppikt, of uiteindelijk mensen interesse hebben om het te kopen, of in een bibliotheek te ontlenen, of je werk ook via andere kanalen aan bod komt (bloemlezingen, bewerkingen, voordrachten, literaire manifestaties)... Auteurs worden voortdurend beoordeeld en die beoordelingen hebben effect op de manier waarop ze hun werk kunnen uitoefenen. Dat is ook normaal.
Wij vinden daarbij dat het letterenbeleid van de overheid als doel moet hebben om het letterenveld in zijn geheel te versterken en te ondersteunen. Daarmee bedoelen wij: er zijn al genoeg ‘poortwachters’ actief in onze sector, we vinden het niet nodig dat ook de overheid zichzelf die rol toebedeelt. Of toch niet in de mate waarin ze dat nu doet. Wij vragen bijvoorbeeld meer vertrouwen in het deskundige oordeel van een kwaliteitsvolle uitgever: dat zou veel meer moeten doorwegen in de uiteindelijke 'kwaliteitsbepaling' van een auteur.
Hoe paradoxaal het ook mag klinken, het is onze stellige overtuiging dat een te sterke nadruk op ‘kwaliteit’ – zoals dat begrip ingevuld wordt in de vele commissies allerhande – de dynamiek, de levenskracht, de maatschappelijke inbedding en daardoor uiteindelijk de reële kwaliteit van het veld niet ten goede komt.
Concreet vinden wij dat, naast de vanzelfsprekende steun voor de reeds vernoemde selecte groep van auteurs met een grote uitstraling, het beleid ook oog moet hebben voor het werk van die collega’s die die uitstraling niet of nog niet genieten.
Wij denken bijvoorbeeld dat het subsidiebeleid van het Vlaams Fonds voor de Letteren op dit vlak nog gecorrigeerd kan worden en wij kunnen onmogelijk akkoord gaan met de selectieve auteurslijst en het denigrerend formalisme van de Stichting Lezen die bepaalt of een auteur al dan niet in aanmerking komt om gesubsidieerde lezingen te mogen geven.
In beide organen wordt ons inziens een te scherp onderscheid gemaakt tussen de topauteurs, die financieel ruim ondersteund worden, en een groep van auteurs die het op eigen kracht maar moet rooien.
Een gezonde letterensector heeft diversiteit nodig – ook om maatschappelijk relevant te blijven. Auteurs van thrillers, SF of populaire jeugdboeken zijn broodnodig voor een gezond veld. Ook oudere auteurs zijn dat. Zij worden vaak in de steek gelaten door media die exclusief oog hebben voor talent dat ‘in’ is. Maar moeten de subsidie-instanties die oudere auteurs in de steek laten? Zelfs als die auteurs nog over een trouwe schare lezers beschikken? Is het correct dat zo’n man of vrouw geen steun meer ontvangt, als hij/zij aan een nieuw boek begint – zelfs al heeft hij/zij voor dat boek nog steeds een uitgever met naam? Moet het begrip ‘vernieuwend’ alleenzaligmakend zijn? Is het terecht dat een auteur, die op tientallen scholen gevraagd wordt om lezingen te geven, daar toch geen subsidie voor kan ontvangen? En is het terecht dat het voor een stripauteur die jarenlang populaire reeksen heeft getekend en daarmee zijn kunde en talent bewezen heeft, onmogelijk is om een eigen project aan te vatten, omdat de bevoegde commissies dat populairdere werk negatief beoordelen?
Ons uitgangspunt is: ‘literaire kwaliteit’ zit ingebed in een breed veld – niet alleen economisch, via het systeem van interne subsidiëring bij uitgeverijen, maar ook maatschappelijk: lezers lezen echt niet alléén de topauteurs, maar komen vaak pas tot hen via de weg van de populairdere literatuur. Of ze wisselen af: de ene dag een roman, de volgende een thriller... Om kwaliteit te stimuleren, moet daarom het hele veld gestimuleerd worden. Dát is ons Grote Credo.
De reeds aangesneden problematiek van de ouder wordende, goede auteur, die amper nog inkomsten verwerft uit zijn of haar literaire activiteit, gaat ons na aan het hart en grijpt ons vaak bij de keel. Menig auteur die geen andere carrière naast het schrijversschap heeft ontwikkeld en die dus per definitie het schamele pensioen van de gedwongen zelfstandige uitbetaald krijgt, maakt kans om af te glijden in de armoede. Deze problematiek mag niet enkel de bekommernis zijn van het sociale noodfonds van onze auteursvereniging dat met veel moeite wat geld bij elkaar bedelt om hier en daar een brandje te blussen, maar is een collectieve verantwoordelijkheid van de hele sector, middenveld, uitgevers en markt incluis.
Oudere auteurs hebben stielkennis opgebouwd tijdens hun carrière. Waarom laten we zoveel métier in rook opgaan? Waarom gebruiken we die stielkennis zo weinig in de coaching van jonge auteurs? Waarom betalen we daar niet een rechtvaardige prijs voor waardoor een stuk van het armoedeprobleem zou kunnen ondervangen worden?
In 2008 zorgde de Minister van cultuur op vraag van de Vlaamse Auteursvereniging voor de invoering van een zgn. eregeld voor oudere kunstenaars (een armoedemaatregel voor oudere kunstenaars die in precaire omstandigheden leven) en voor een zgn. loopbaanstimulans (een aanzet voor pensioenopbouw voor jongere kunstenaars). Deze maatregelen werden gerealiseerd met een beperkt budget en werden zeer positief onthaald. Maar, zowel het eregeld als de loopbaanstimulans zijn door de huidige Minister van cultuur geschrapt, op formele gronden. We hebben het eregeld opnieuw op de agenda geplaatst omdat dergelijke sociale besparingen onaanvaardbaar zijn in een sector waarin meer middelen worden besteed aan minder essentiële en minder transparante initiatieven. We zoeken andere wegen om deze noodzakelijke sociale maatregelen weer tot leven te wekken, kortom: we maken van het eregeld noodgedwongen een erezaak.
Om een transparante letterensector te realiseren, vindt de VAV het belangrijk dat auteurs, naar het voorbeeld van andere sectoren, een stem krijgen in alle gremia (commissies, besturen, jury’s, enz.) waar over hen beslissingen worden genomen en waar initiatieven die hen aanbelangen worden opgestart. De bereidheid om dat te doen is groeiende, maar vanzelfsprekend is het nog niet. Het Vlaams fonds voor de letteren heeft – ere wie ere toekomt ¬– hierin het voortouw genomen (zoals in andere belangrijke dossiers) en blijft dat doen met een grotere gedrevenheid en met een langere termijnvisie dan die van een gemiddelde boekhouder, zoals iemand ooit beweerde.
We zijn ervan overtuigd dat de verschillende organisaties van het middenveld doorgaans goed werk leveren maar meer transparantie tussen die middenveldorganisaties zelf is nodig: veel dubbel-op zou vermeden kunnen worden, evenals veel tijdrovend formalisme (de prijs van het wantrouwen en van het vingertje). Een scherpere aflijning van taken en bevoegdheden, en een efficiënte aanwending van de middelen (minder buitenkant – meer inhoud) zouden wel eens voldoende nodige ruimte kunnen scheppen om, binnen de bestaande budgetten en binnen het bestaande personeelsbestand, een nodige verruiming van functies door te voeren. Daarmee is een belangrijke vraag beantwoord: Moet er meer middenveld komen? Neen, laten we beginnen met een efficiënter middenveld.
Er stroomt, ondanks de besparingen, nog altijd veel gemeenschapsgeld naar het middenveld. Wij zouden het graag zien gebeuren dat deze geldstroom aanzwelt maar beseffen dat de economische situatie tot realisme noopt. Van het vele geld komt echter veel te weinig terecht bij de auteurs zelf. Meer dan ooit moet het middenveld zichzelf in vraag durven te stellen en met regelmaat de gevolgde koers toetsen en herijken aan de initiële opdracht en doelstelling. Meer dan ooit zou het middenveld de attitude moeten ontwikkelen om de gemeenschap op de hoogte te houden van hoe het omgaat met het ter beschikking gestelde gemeenschapsgeld. Meer dan ooit zal het middenveld erop toezien om niet alleen voor zichzelf werk en een verzekerd inkomen te creëren maar minstens een poging te ondernemen om dat ook na te streven voor haar doelgroep, namelijk de auteurs. Auteurs zijn de bestaansreden van het middenveld en niet omgekeerd. Het kan de middenveldwerker bij het bekijken van zijn of haar loonfiche misschien inspireren om te beseffen dat het gemiddeld inkomen van een auteur vermoedelijk om en bij de 1000 euro per maand bedraagt. (Wij zullen dat de komende tijd diepgaand onderzoeken.) En zonder enig sociaal vangnet er bovenop. Dat laatste is grotendeels het gevolg van een voor auteurs falend kunstenaarsstatuut.
Vanaf haar ontstaan heeft de VAV de herziening van het kunstenaarsstatuut prioritair gesteld. We predikten in de woestijn. Maar nu merken we dat ook het Vlaams fonds voor de letteren het tot haar opdracht rekent om structurele oplossingen en een volwaardig sociaal stelsel te eisen voor auteurs, en we zien hier en daar ook bij andere middenvelders een aanzet tot stellingname in dit zo belangrijke dossier. We hopen dat het geen dode letter blijft en misschien kan het middenveld zelfs het voortouw nemen door bvb. ieder jaar een halve procent van haar totale werkingsgeld in een spaarpot te steken die het begin zou kunnen betekenen van een heuse pensioenskas voor auteurs en literaire vertalers. Al bij al is die halve procent maar een kwartje van de inspanning die van ons land wordt gevraagd inzake ontwikkelingshulp.
Wij vinden het van belang dat alle voorgaande overwegingen meegenomen worden in de opstart en de ontwikkeling van een bemiddelingsbureau voor auteurs en organisatoren, dat onder andere het organiseren van lezingen wil coördineren. Het kan niet de bedoeling zijn om naast de drie bestaande gesubsidieerde lezingenorganisatoren (namelijk de Stichting Lezen, de A-boekhandels en de Canon Cultuurcel) een vierde poot te creëren om er dan stoemelings van uit te gaan dat de stoel eindelijk stabiel staat. We willen vermijden dat hetzelfde selecte gezelschap opnieuw een zetel wordt aangeboden en dat valabele, stille, jonge, experimenterende, genre-overschrijdende, niet bij de waan van de dag horende, of in de moeilijke genres werkende auteurs (excuseer mij de gênante verderzetting van mijn beeldspraak) tussen twee stoelen vallen.
De Vlaamse auteursvereniging steunt het initiatief dat heeft geleid tot de samenkomst van vandaag. We pleiten allang voor een volledig nieuw systeem van gesubsidieerde lezingen, georganiseerd door een niet-commercieel managementbureau, naar analogie met de Nederlandse Stichting Schrijvers School Samenleving (SSS). De huidige regeling voldoet immers niet. Dat nieuwe systeem staat permanent open voor alle auteurs en vertalers en zal op een dynamische manier en zonder langdurige aanvraagprocedures bemiddelen tussen vraag en aanbod en inspelen op de vraag van de markt. Dit is misschien wel het moment om 1 grote databank van auteurs samen te stellen waarin – ik herhaal – elke auteur, van welke rang of stand dan ook, zich mag presenteren. Eén centrale databank die door alle poten gebruikt wordt. Het zou bovendien bespreekbaar moeten zijn dat de middelen die de drie poten nu ter beschikking hebben, gehergroepeerd worden in een centraal punt, zeg maar: het bemiddelingsbureau voor lezingen (de afkorting BBL moet wel vermeden worden).
Dat bemiddelingsbureau zou op zijn beurt bij voorkeur deel uitmaken van een nog op te richten cel die werkt op basis van een beheersovereenkomst met de Vlaamse overheid. Het Vlaams Fonds voor de Letteren kan, wat ons betreft, een inbeddingsplaats zijn voor zo’n steunpuntcel. Zo’n cel zou een aantal middenveldstaken op zich kunnen nemen die op dit moment niet worden uitgevoerd, of door teveel middenvelders tegelijkertijd. De Vlaamse auteursvereniging vraagt allang een performant, pro-actief instrument dat, in onderling overleg met de auteurs, de nodige intiatieven neemt om de professionele uitbouw van onze sector te optimaliseren en ook om de steunpuntfuncties te coördineren, steunpuntfuncties zoals onderzoek, deskundigheidsbevordering en informatieverspreiding, bijscholing, de behartiging van de internationale facetten... kortom een instrument dat een geoliede draaischijf is tussen beleid en praktijk.
(Nu volgt een alinea die bij het stuk hoort, maar die tijdens het forum niet uitgesproken werd:)
Ik wil nog even terugkomen op die literaire lezingen, op welk niveau ze ook mogen plaatsvinden. Lezingen zijn een middel bij uitstek om de drempel tussen auteur en lezer te verlagen (tot zover het cliché) en zijn dus per definitie lezingen leesbevorderend. Dat is dan weer geen cliché, wie anders beweert, dwaalt. Maar lezingen zijn ook een unieke kans, voor zowel publiek als auteur, om de stille lezing van een tekst te verrijken door middel van klank, auditieve accenten, gebaren, gelaatsuitdrukkingen, stemmodulaties, enzovoort. Het vermogen van een publiek om een lezing naar waarde te schatten mag niet onderschat worden. Dat daarbij zeer uiteenlopende argumenten worden gehanteerd, is de evidentie zelve en hoeft niet gestuurd worden, want een dergelijke sturing tast de vrijheid van de lezer/luisteraar aan. Aan de andere kant hebben organisatoren van literaire lezingen het recht om niet belerend maar doeltreffend begeleid te worden. Inzichten in de reële situatie van de auteur kunnen verhelderend zijn. Auteurs die een lezing geven, moeten behoorlijk betaald worden. Dat lijkt op het intrappen van een open deur maar in de fluistergangen hebben we wel vernomen dat sommige organisatoren het evident vinden dat de interviewer van de auteur, die speciaal werd uitgenodigd die avond om drie vragen te stellen aan de auteur, beter vergoed wordt dan de auteur zelf, en dat ook de geluidstechnieker een betalingsvoorkeur geniet op de auteur. De tijd dat een auteur, ik citeer een schepen van cultuur in 2008 ‘content moest zijn dat hij uitgenodigd werd om de verkoop van zijn boekskes te promoten’ moet maar eens voorgoed voorbij zijn. Evenals de tijd van dergelijke schepenen van cultuur. Organisatoren moeten beseffen dat ze inspanningen moeten doen om zoveel mogelijk publiek naar een lezing te krijgen, al was het maar uit respect voor de auteur. Gelukkig blijken er altijd weer organisatoren te zijn die met een onvoorwaardelijke en haast ondoorgrondelijke liefde voor de literatuur erin slagen om de voorwaarden en de omstandigheden te creëren waarin een lezing optimaal kan gedijen. Voor dergelijke organisatoren moet het middenveld zijn respect uitdrukken in de vorm van consistente steun.
Er is veel werk aan de winkel. Ondanks haar armlastigheid en onderbezetting, blijft de Vlaamse auteursvereniging een hand reiken naar alle initiatieven die de professionele situatie van onze collega’s kan verbeteren.
Je koopt er de laatste tijd geen halve kilo pruimen meer mee, maar ik wil met rustige vastheid hoopvol eindigen met ‘yes, we can’.
Koen Stassijns
1 juli 2010