Het eerste VAV-modelcontract is een feit!

PERSBERICHT
15/07/2010

VLAAMSE AUTEURSVERENIGING EN VLAAMSE UITGEVERS VERENIGING STELLEN SAMEN EERSTE VLAAMSE MODELCONTRACT VOOR ALGEMENE BOEKEN (FICTIE EN NON-FICTIE) VOOR

De Vlaamse Auteursvereniging (VAV) en de Groep Algemene Uitgevers (GAU) van de Vlaamse Uitgevers Vereniging (VUV) zorgen voor een primeur: voor het eerst stellen ze een sectorovereenkomst voor voor de uitgave van algemene boeken (fictie en non-fictie), die zij beide hebben goedgekeurd en aan hun leden als model aanbevelen. Het gaat met andere woorden om een modelcontract dat uitgevers en auteurs in staat moet stellen hun samenwerking onder de beste voorwaarden aan te gaan, in de zekerheid dat hun overeenkomst juridisch sluitend is en geen van beide partijen benadeelt. Het Vlaams Fonds voor de Letteren (VFL) zal dit modelcontract ondersteunen door het gebruik ervan als voorwaarde te stellen bij beurstoekenningen.

In Nederland bestaat zo’n modelcontract, gezamenlijk onderhandeld door de Groep Algemene Uitgevers (GAU) en de Vereniging van Letterkundigen (VvL), al veel langer. De meest recente versie werd opgesteld in 2004 en aangepast in 2007. Nagenoeg alle uitgeverijen passen het toe. Hoewel een aantal Vlaamse uitgeverijen een (licht aangepaste) versie van het Nederlandse model gebruikten, was er tot dusver geen overeenkomst die aangepast was aan het Belgische recht.

Deze sectorovereenkomst is volledig bij de tijd en regelt dus ook in detail alle rechtenkwesties in de digitale wereld. Het is de bedoeling dat het modelcontract voor lange tijd een benchmark in en voor de boekenwereld wordt, zelfs buiten de landsgrenzen.

De VAV en de VUV beklemtonen het gezamenlijke draagvlak en het brede front dat door het modeluitgeefcontract wordt gecreëerd. De overeenkomst regelt de rechtspositie van zowel auteur als uitgever op een onderhandelde en uitgebalanceerde manier.

Later volgen nog specifieke sectorcontracten voor illustratoren en vertalers.


De sectorovereenkomst is op eenvoudig verzoek verkrijgbaar op de secretariaten van beide organisaties. Ook voor meer informatie kan u daar terecht.

 

 

VAV en het literaire middenveld

Op 1 juli vertegenwoordigde Koen Stassijns de Vlaamse Auteursvereniging op het eerste Platform voor het literaire middenveld, dat door het VFL georganiseerd werd in het Elzenveld. Hij verwoordde er het standpunt dat de VAV inneemt met betrekking tot de ontwikkelingen in het literaire middenveld; u vindt zijn toespraak hieronder.


Geachte collega’s van het literaire middenveld,


Eerst en vooral dit: Ik spreek hier niet uitsluitend namens mezelf maar wel in naam van het bestuur van de Vlaamse auteursvereniging waarvan ik deel uitmaak. Ten tweede: wanneer we het woord ‘auteur’ in de mond nemen, dan bedoelen we auteurs in alle denkbare disciplines, inclusief de literaire vertalers. Ten derde: in een poging om het gelatineuze begrip ‘middenveld’ af te bakenen, bedoelen wij met het woord ‘middenveld’: alle instanties en verenigingen waarvan het de missie is om, al dan niet met overheidsmiddelen, het individu (in dit geval: de auteur) te helpen, te ondersteunen, te adviseren, te promoten enz. Die instanties en verenigingen zijn daarbij niet uit op eigen winst.

Sinds haar ontstaan, nu ruim 4 jaar geleden, heeft de Vlaamse auteursvereniging er alles aan gedaan om met alle belangrijke spelers van het literaire middenveld, een goede relatie op te bouwen en te onderhouden. We zijn er immers van overtuigd dat het letterenbeleid als doel hoort te hebben dat zoveel mogelijk auteurs hun werk op een professionele manier kunnen uitoefenen en dat een vertrouwensvolle samenwerking van de belangenbehartiger die wij zijn met het middenveld daartoe essentieel is. Wij betwisten dus de rol van de vele intermediaire instanties (Vlaams Fonds voor de Letteren, Stichting Lezen, Passa Porta, Behoud de Begeerte, Vrijstaat O., Poëziecentrum, enz.) niet, maar de Vlaamse overheid moet er wel over waken dat deze instrumenten zo efficiënt en transparant mogelijk hun doelstellingen proberen te bereiken en dat hun middelen in de allereerste plaats de Vlaamse auteurs en hun werk ten goede komen.
We kunnen er niet naast kijken dat vele auteurs het middenveld ervaren als een muur, een muur weliswaar met vele deuren, maar waarop het moeizaam en vaak vruchteloos kloppen is. Bij vele auteurs, die niet tot de selecte groep van auteurs met een grote uitstraling horen, ervaren wij ten overstaan van het middenveld, veel wantrouwen, vaak defaitisme, en zelfs angst. Dit negatieve beeld is niet alleen ontstaan in het doemdenken of het calimerogevoel van de auteurs. We zijn daar goed in, toegegeven, maar in vele gevallen had dat negatieve beeld vermeden kunnen worden door een efficiëntere, humanere communicatie, en een grotere transparantie. Bovendien vindt die communicatie maar beter plaats op voet van gelijkheid en niet vanuit een meester-leerling situatie die als weinig respectvol – en vaak als ronduit ergerlijk ¬– wordt ervaren. Het vingertje wordt o zo snel omhooggestoken. Dergelijke omstandigheden zijn enkel een efficiënte kweekvijver voor misverstanden, frustraties, verdachtmakingen, amper uit te roeien vooroordelen enz... Het maakt het voor ons soms moeilijk om aan onze leden uit te leggen dat er ook goed werk wordt geleverd.
Voor ongeveer alle middenvelders is een transparante communicatie niet alleen middel maar ook doelstelling, lees bestaansreden, en het desondanks falen ervaren wij dan per definitie als een dubbel falen.
Daarom herhalen wij, conform onze visietekst, ons pleidooi voor een brede, geprofessionaliseerde, gecoördineerde en transparante letterensector. U vindt die tekst op onze website.

Het zou ons vandaag te ver leiden om dieper in te gaan op de vier kernbegrippen in onze visie, maar toch lijkt het ons zinvol om de nodige aandacht te besteden aan eerste kernbegrip namelijk: een brede letterensector.
Voor auteurs spelen er veel selectiemechanismen: of je al dan niet een uitgever vindt, of de boekhandels je boek al dan niet inkopen, of de pers het oppikt, of uiteindelijk mensen interesse hebben om het te kopen, of in een bibliotheek te ontlenen, of je werk ook via andere kanalen aan bod komt (bloemlezingen, bewerkingen, voordrachten, literaire manifestaties)... Auteurs worden voortdurend beoordeeld en die beoordelingen hebben effect op de manier waarop ze hun werk kunnen uitoefenen. Dat is ook normaal.
Wij vinden daarbij dat het letterenbeleid van de overheid als doel moet hebben om het letterenveld in zijn geheel te versterken en te ondersteunen. Daarmee bedoelen wij: er zijn al genoeg ‘poortwachters’ actief in onze sector, we vinden het niet nodig dat ook de overheid zichzelf die rol toebedeelt. Of toch niet in de mate waarin ze dat nu doet. Wij vragen bijvoorbeeld meer vertrouwen in het deskundige oordeel van een kwaliteitsvolle uitgever: dat zou veel meer moeten doorwegen in de uiteindelijke 'kwaliteitsbepaling' van een auteur.
Hoe paradoxaal het ook mag klinken, het is onze stellige overtuiging dat een te sterke nadruk op ‘kwaliteit’ – zoals dat begrip ingevuld wordt in de vele commissies allerhande – de dynamiek, de levenskracht, de maatschappelijke inbedding en daardoor uiteindelijk de reële kwaliteit van het veld niet ten goede komt.
Concreet vinden wij dat, naast de vanzelfsprekende steun voor de reeds vernoemde selecte groep van auteurs met een grote uitstraling, het beleid ook oog moet hebben voor het werk van die collega’s die die uitstraling niet of nog niet genieten.
Wij denken bijvoorbeeld dat het subsidiebeleid van het Vlaams Fonds voor de Letteren op dit vlak nog gecorrigeerd kan worden en wij kunnen onmogelijk akkoord gaan met de selectieve auteurslijst en het denigrerend formalisme van de Stichting Lezen die bepaalt of een auteur al dan niet in aanmerking komt om gesubsidieerde lezingen te mogen geven.
In beide organen wordt ons inziens een te scherp onderscheid gemaakt tussen de topauteurs, die financieel ruim ondersteund worden, en een groep van auteurs die het op eigen kracht maar moet rooien.
Een gezonde letterensector heeft diversiteit nodig – ook om maatschappelijk relevant te blijven. Auteurs van thrillers, SF of populaire jeugdboeken zijn broodnodig voor een gezond veld. Ook oudere auteurs zijn dat. Zij worden vaak in de steek gelaten door media die exclusief oog hebben voor talent dat ‘in’ is. Maar moeten de subsidie-instanties die oudere auteurs in de steek laten? Zelfs als die auteurs nog over een trouwe schare lezers beschikken? Is het correct dat zo’n man of vrouw geen steun meer ontvangt, als hij/zij aan een nieuw boek begint – zelfs al heeft hij/zij voor dat boek nog steeds een uitgever met naam? Moet het begrip ‘vernieuwend’ alleenzaligmakend zijn? Is het terecht dat een auteur, die op tientallen scholen gevraagd wordt om lezingen te geven, daar toch geen subsidie voor kan ontvangen? En is het terecht dat het voor een stripauteur die jarenlang populaire reeksen heeft getekend en daarmee zijn kunde en talent bewezen heeft, onmogelijk is om een eigen project aan te vatten, omdat de bevoegde commissies dat populairdere werk negatief beoordelen?
Ons uitgangspunt is: ‘literaire kwaliteit’ zit ingebed in een breed veld – niet alleen economisch, via het systeem van interne subsidiëring bij uitgeverijen, maar ook maatschappelijk: lezers lezen echt niet alléén de topauteurs, maar komen vaak pas tot hen via de weg van de populairdere literatuur. Of ze wisselen af: de ene dag een roman, de volgende een thriller... Om kwaliteit te stimuleren, moet daarom het hele veld gestimuleerd worden. Dát is ons Grote Credo.


De reeds aangesneden problematiek van de ouder wordende, goede auteur, die amper nog inkomsten verwerft uit zijn of haar literaire activiteit, gaat ons na aan het hart en grijpt ons vaak bij de keel. Menig auteur die geen andere carrière naast het schrijversschap heeft ontwikkeld en die dus per definitie het schamele pensioen van de gedwongen zelfstandige uitbetaald krijgt, maakt kans om af te glijden in de armoede. Deze problematiek mag niet enkel de bekommernis zijn van het sociale noodfonds van onze auteursvereniging dat met veel moeite wat geld bij elkaar bedelt om hier en daar een brandje te blussen, maar is een collectieve verantwoordelijkheid van de hele sector, middenveld, uitgevers en markt incluis.
Oudere auteurs hebben stielkennis opgebouwd tijdens hun carrière. Waarom laten we zoveel métier in rook opgaan? Waarom gebruiken we die stielkennis zo weinig in de coaching van jonge auteurs? Waarom betalen we daar niet een rechtvaardige prijs voor waardoor een stuk van het armoedeprobleem zou kunnen ondervangen worden?
In 2008 zorgde de Minister van cultuur op vraag van de Vlaamse Auteursvereniging voor de invoering van een zgn. eregeld voor oudere kunstenaars (een armoedemaatregel voor oudere kunstenaars die in precaire omstandigheden leven) en voor een zgn. loopbaanstimulans (een aanzet voor pensioenopbouw voor jongere kunstenaars). Deze maatregelen werden gerealiseerd met een beperkt budget en werden zeer positief onthaald. Maar, zowel het eregeld als de loopbaanstimulans zijn door de huidige Minister van cultuur geschrapt, op formele gronden. We hebben het eregeld opnieuw op de agenda geplaatst omdat dergelijke sociale besparingen onaanvaardbaar zijn in een sector waarin meer middelen worden besteed aan minder essentiële en minder transparante initiatieven. We zoeken andere wegen om deze noodzakelijke sociale maatregelen weer tot leven te wekken, kortom: we maken van het eregeld noodgedwongen een erezaak.

Om een transparante letterensector te realiseren, vindt de VAV het belangrijk dat auteurs, naar het voorbeeld van andere sectoren, een stem krijgen in alle gremia (commissies, besturen, jury’s, enz.) waar over hen beslissingen worden genomen en waar initiatieven die hen aanbelangen worden opgestart. De bereidheid om dat te doen is groeiende, maar vanzelfsprekend is het nog niet. Het Vlaams fonds voor de letteren heeft – ere wie ere toekomt ¬– hierin het voortouw genomen (zoals in andere belangrijke dossiers) en blijft dat doen met een grotere gedrevenheid en met een langere termijnvisie dan die van een gemiddelde boekhouder, zoals iemand ooit beweerde.
We zijn ervan overtuigd dat de verschillende organisaties van het middenveld doorgaans goed werk leveren maar meer transparantie tussen die middenveldorganisaties zelf is nodig: veel dubbel-op zou vermeden kunnen worden, evenals veel tijdrovend formalisme (de prijs van het wantrouwen en van het vingertje). Een scherpere aflijning van taken en bevoegdheden, en een efficiënte aanwending van de middelen (minder buitenkant – meer inhoud) zouden wel eens voldoende nodige ruimte kunnen scheppen om, binnen de bestaande budgetten en binnen het bestaande personeelsbestand, een nodige verruiming van functies door te voeren. Daarmee is een belangrijke vraag beantwoord: Moet er meer middenveld komen? Neen, laten we beginnen met een efficiënter middenveld.
Er stroomt, ondanks de besparingen, nog altijd veel gemeenschapsgeld naar het middenveld. Wij zouden het graag zien gebeuren dat deze geldstroom aanzwelt maar beseffen dat de economische situatie tot realisme noopt. Van het vele geld komt echter veel te weinig terecht bij de auteurs zelf. Meer dan ooit moet het middenveld zichzelf in vraag durven te stellen en met regelmaat de gevolgde koers toetsen en herijken aan de initiële opdracht en doelstelling. Meer dan ooit zou het middenveld de attitude moeten ontwikkelen om de gemeenschap op de hoogte te houden van hoe het omgaat met het ter beschikking gestelde gemeenschapsgeld. Meer dan ooit zal het middenveld erop toezien om niet alleen voor zichzelf werk en een verzekerd inkomen te creëren maar minstens een poging te ondernemen om dat ook na te streven voor haar doelgroep, namelijk de auteurs. Auteurs zijn de bestaansreden van het middenveld en niet omgekeerd. Het kan de middenveldwerker bij het bekijken van zijn of haar loonfiche misschien inspireren om te beseffen dat het gemiddeld inkomen van een auteur vermoedelijk om en bij de 1000 euro per maand bedraagt. (Wij zullen dat de komende tijd diepgaand onderzoeken.) En zonder enig sociaal vangnet er bovenop. Dat laatste is grotendeels het gevolg van een voor auteurs falend kunstenaarsstatuut.
Vanaf haar ontstaan heeft de VAV de herziening van het kunstenaarsstatuut prioritair gesteld. We predikten in de woestijn. Maar nu merken we dat ook het Vlaams fonds voor de letteren het tot haar opdracht rekent om structurele oplossingen en een volwaardig sociaal stelsel te eisen voor auteurs, en we zien hier en daar ook bij andere middenvelders een aanzet tot stellingname in dit zo belangrijke dossier. We hopen dat het geen dode letter blijft en misschien kan het middenveld zelfs het voortouw nemen door bvb. ieder jaar een halve procent van haar totale werkingsgeld in een spaarpot te steken die het begin zou kunnen betekenen van een heuse pensioenskas voor auteurs en literaire vertalers. Al bij al is die halve procent maar een kwartje van de inspanning die van ons land wordt gevraagd inzake ontwikkelingshulp.

Wij vinden het van belang dat alle voorgaande overwegingen meegenomen worden in de opstart en de ontwikkeling van een bemiddelingsbureau voor auteurs en organisatoren, dat onder andere het organiseren van lezingen wil coördineren. Het kan niet de bedoeling zijn om naast de drie bestaande gesubsidieerde lezingenorganisatoren (namelijk de Stichting Lezen, de A-boekhandels en de Canon Cultuurcel) een vierde poot te creëren om er dan stoemelings van uit te gaan dat de stoel eindelijk stabiel staat. We willen vermijden dat hetzelfde selecte gezelschap opnieuw een zetel wordt aangeboden en dat valabele, stille, jonge, experimenterende, genre-overschrijdende, niet bij de waan van de dag horende, of in de moeilijke genres werkende auteurs (excuseer mij de gênante verderzetting van mijn beeldspraak) tussen twee stoelen vallen.
De Vlaamse auteursvereniging steunt het initiatief dat heeft geleid tot de samenkomst van vandaag. We pleiten allang voor een volledig nieuw systeem van gesubsidieerde lezingen, georganiseerd door een niet-commercieel managementbureau, naar analogie met de Nederlandse Stichting Schrijvers School Samenleving (SSS). De huidige regeling voldoet immers niet. Dat nieuwe systeem staat permanent open voor alle auteurs en vertalers en zal op een dynamische manier en zonder langdurige aanvraagprocedures bemiddelen tussen vraag en aanbod en inspelen op de vraag van de markt. Dit is misschien wel het moment om 1 grote databank van auteurs samen te stellen waarin – ik herhaal – elke auteur, van welke rang of stand dan ook, zich mag presenteren. Eén centrale databank die door alle poten gebruikt wordt. Het zou bovendien bespreekbaar moeten zijn dat de middelen die de drie poten nu ter beschikking hebben, gehergroepeerd worden in een centraal punt, zeg maar: het bemiddelingsbureau voor lezingen (de afkorting BBL moet wel vermeden worden).
Dat bemiddelingsbureau zou op zijn beurt bij voorkeur deel uitmaken van een nog op te richten cel die werkt op basis van een beheersovereenkomst met de Vlaamse overheid. Het Vlaams Fonds voor de Letteren kan, wat ons betreft, een inbeddingsplaats zijn voor zo’n steunpuntcel. Zo’n cel zou een aantal middenveldstaken op zich kunnen nemen die op dit moment niet worden uitgevoerd, of door teveel middenvelders tegelijkertijd. De Vlaamse auteursvereniging vraagt allang een performant, pro-actief instrument dat, in onderling overleg met de auteurs, de nodige intiatieven neemt om de professionele uitbouw van onze sector te optimaliseren en ook om de steunpuntfuncties te coördineren, steunpuntfuncties zoals onderzoek, deskundigheidsbevordering en informatieverspreiding, bijscholing, de behartiging van de internationale facetten... kortom een instrument dat een geoliede draaischijf is tussen beleid en praktijk.

(Nu volgt een alinea die bij het stuk hoort, maar die tijdens het forum niet uitgesproken werd:)

Ik wil nog even terugkomen op die literaire lezingen, op welk niveau ze ook mogen plaatsvinden. Lezingen zijn een middel bij uitstek om de drempel tussen auteur en lezer te verlagen (tot zover het cliché) en zijn dus per definitie lezingen leesbevorderend. Dat is dan weer geen cliché, wie anders beweert, dwaalt. Maar lezingen zijn ook een unieke kans, voor zowel publiek als auteur, om de stille lezing van een tekst te verrijken door middel van klank, auditieve accenten, gebaren, gelaatsuitdrukkingen, stemmodulaties, enzovoort. Het vermogen van een publiek om een lezing naar waarde te schatten mag niet onderschat worden. Dat daarbij zeer uiteenlopende argumenten worden gehanteerd, is de evidentie zelve en hoeft niet gestuurd worden, want een dergelijke sturing tast de vrijheid van de lezer/luisteraar aan. Aan de andere kant hebben organisatoren van literaire lezingen het recht om niet belerend maar doeltreffend begeleid te worden. Inzichten in de reële situatie van de auteur kunnen verhelderend zijn. Auteurs die een lezing geven, moeten behoorlijk betaald worden. Dat lijkt op het intrappen van een open deur maar in de fluistergangen hebben we wel vernomen dat sommige organisatoren het evident vinden dat de interviewer van de auteur, die speciaal werd uitgenodigd die avond om drie vragen te stellen aan de auteur, beter vergoed wordt dan de auteur zelf, en dat ook de geluidstechnieker een betalingsvoorkeur geniet op de auteur. De tijd dat een auteur, ik citeer een schepen van cultuur in 2008 ‘content moest zijn dat hij uitgenodigd werd om de verkoop van zijn boekskes te promoten’ moet maar eens voorgoed voorbij zijn. Evenals de tijd van dergelijke schepenen van cultuur. Organisatoren moeten beseffen dat ze inspanningen moeten doen om zoveel mogelijk publiek naar een lezing te krijgen, al was het maar uit respect voor de auteur. Gelukkig blijken er altijd weer organisatoren te zijn die met een onvoorwaardelijke en haast ondoorgrondelijke liefde voor de literatuur erin slagen om de voorwaarden en de omstandigheden te creëren waarin een lezing optimaal kan gedijen. Voor dergelijke organisatoren moet het middenveld zijn respect uitdrukken in de vorm van consistente steun.

Er is veel werk aan de winkel. Ondanks haar armlastigheid en onderbezetting, blijft de Vlaamse auteursvereniging een hand reiken naar alle initiatieven die de professionele situatie van onze collega’s kan verbeteren.
Je koopt er de laatste tijd geen halve kilo pruimen meer mee, maar ik wil met rustige vastheid hoopvol eindigen met ‘yes, we can’.


Koen Stassijns
1 juli 2010

Memorandum federale regering

De VAV bezorgde in mei aan zes politieke partijen haar memorandum met federale eisen. Hierin worden twee van onze actiepunten voorgelegd: het leenrecht en de correctie van het huidige sociale statuut van de kunstenaar.

FEDERALE AANDACHTSPUNTEN VAN DE VLAAMSE AUTEURSVERENIGING

1. Aanpassing van het statuut van de kunstenaar voor scheppende kunstenaars
Het sociaal statuut van de kunstenaar moet een statuut worden waardoor niet alleen uitvoerende (acteurs, muzikanten) maar ook scheppende kunstenaars (auteurs, literaire vertalers, beeldende kunstenaars, …) van een minimaal sociaal vangnet verzekerd worden. Het huidige statuut is immers op maat geschreven van de uitvoerende kunstenaars.
Waar scheppende kunstenaars het meeste nood aan hebben, is een aanvullend pensioenfonds en een sociale verzekering. Binnen het zelfstandigenstatuut (waartoe ze de facto verplicht worden) moeten ze dat nu privé regelen, wat voor velen te duur is. Een sociaal fonds (zoals dat bestaat in Frankrijk, Duitsland en Scandinavië), met bijdragen van de auteur zelf, de uitgevers, de overheid en de auteursrechtenvennootschappen kan hier een oplossing zijn.
Concreet zou de overheid voor zelfstandige scheppende kunstenaars kunnen voorzien in het aanbod van een pensioenfonds, annex arbeidsverzekering:
      - De overheid zorgt voor een minimaal basisbedrag om het fonds annex verzekering op te starten.
      - Kunstenaars (met erkend kunstenaars- en zelfstandigenstatuut) dragen zelf bij voor hun eigen pensioen via dit pensioenfonds.
      - Vanaf een bepaalde inlage in het pensioenfonds zijn kunstenaars verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid.
      - De overheid kan eventueel van alle nominale subsidies aan kunstenaars een percentage voorzien voor het pensioenfonds.
Het sociaal statuut van de kunstenaar, en het zelfstandigenstatuut, zijn federale materie. Omdat bovenstaand voorstel de facto geen wijziging aanbrengt aan deze statuten is het mogelijk om het alleen op Vlaams niveau te implementeren.



2. Leenrechtvergoeding:
Wij vragen de federale regering om het bedrag van de leenrechtvergoeding substantieel te verhogen. Ook moeten regelingen getroffen worden om de inning en uitbetaling van de leenrechtvergoedingen, die de Vlaamse Gemeenschap op zich heeft genomen, de komende jaren niet alleen te verzekeren, maar ze ook op een billijk niveau te brengen.
Concreet stelt de Vlaamse Auteursvereniging aan de federale regering de volgende actiepunten voor:
      - Leenrecht moet worden verhoogd tot een niveau vergelijkbaar met de buurlanden.
      - Leenrechtverhoging mag niet ten koste gaan van de budgetten voor de bibliotheek
      - Een correcte vergoeding mag participatie en toegankelijkheid van bibliotheken niet in de weg staan

Leenrecht moet niet uitgebreid worden tot raadpleging ter plekke of tot onderwijs- en wetenschappelijke onderzoeksinstellingen die door de overheid daartoe officieel zijn erkend of opgericht.
 

10 jaar Vlaams Fonds voor de Letteren

Vrijdag 23 april vierde het Vlaams Fonds voor de Letteren zijn tienjarig bestaan in de Vooruit in Gent. Het Fonds vroeg VAV-voorzitter Erik Vlaminck een toespraak te geven over zijn visie op de werking van het Fonds. Hieronder enkele fragmenten. 

…Bij de Vlaamse Auteursvereniging vermoeden we dat een professionele schrijver en vertaler in Vlaanderen, net zoals zijn collega’s in Nederland, gemiddeld 1200 euro netto per maand verdient. Weet dat het om een gemiddelde gaat; dat velen onder die 1200 euro zitten. En zonder enig sociaal vangnet er bovenop…

… Dan mag het luidop gezegd worden dat het goed is dat er een letterenfonds is dat jaarlijks het inkomen van behoorlijk wat auteurs, vertalers, illustratoren en striptekenaars opkrikt tot een acceptabel niveau. Laat de lezers van bvb. Het Laatste Nieuws ook weten dat zo’n schrijver met een werkbeurs nooit ofte nooit meer verdient dat bvb. een leraar geschiedenis of bvb. een bandwerker bij Opel. Indien hij of zij toch meer verdient, wordt zijn of haar werkbeurs niet uitbetaald. Terecht…

…Eigenlijk doet het Vlaams Fonds voor de Letteren het niet slecht. Auteurs en vertalers hebben, de laatste jaren meer dan vroeger, inspraak in de werking van het fonds en dat is goed. Het fonds heeft er voor gezorgd dat een schone groep Vlaamse auteurs, illustratoren en striptekenaars internationaal is doorgebroken en dat is goed. Het fonds werkt hard aan de professionalisering van het auteurs- en vertalersberoep en dat is goed. Toch vragen wij vanuit de auteursvereniging aan het fonds om een extra tandje bij te steken...

…Wij vragen het fonds om extra oog te hebben voor die auteurs die wel kwaliteitswerk afleveren maar die bij pers en media niet de aandacht krijgen die ze eigenlijk verdienen…

…En wij vragen het fonds om een extra tandje bij te steken voor de poëzie in Vlaanderen. Want daar is er een huizenhoog probleem. Ondanks populaire gedichtendagen en in steen gehouwen verzen op zeedijken is er in Vlaanderen een probleem met de poëzie én met de dichters. Zoek om te beginnen een boekhandel -dat is al niet eenvoudig- en neem een lintmeter met u mee, en meet hoeveel centimeter poëzie er in uw boekhandel staat. Behalve in een paar uitzonderlijke boekenwinkels gaat u trouwens geen lintmeter nodig hebben. Een meetlatje van 30 cm zal ruim volstaan. En kijk er dan ook eens naar welke poëzie er in de rekken staat: verzamelbundels en themabundels. Het is zoeken als naar een naald in een hooiberg om een bundel te vinden van een individueel dichter. Hier droogt een bron uit; hier sterft een stukje cultuurpatrimonium. En dan hoor ik sommigen al roepen: gooi die boel op het internet. Maar dat werkt zo niet. Er zijn nu eenmaal gedichten waar de bladspiegel, de letterzetting, het papiergevoel, en de lay-out onlosmakelijk deel van de poëzie uitmaken. Zulke poëzie moet op papier gedrukt en verspreid worden. Dichters worstelen trouwens met nog andere problemen.
Want dichters die geen podiumkunstjes kunnen uithalen, die mogen het helemaal schudden. Die krijgen nergens nog aandacht. Ik hoop dat het Vlaams Fonds voor de Letteren hen veel aandacht wil geven…

 

Scenarist Bram Renders in De Standaard over besparingen VRT

Vlaamse TV-scenaristen luiden alarmklokDe uitzending van nieuwe Vlaamse fictieseries, zoals de politieserie 'Wolven' en 'Het goddelijke monster', wordt uitgesteld naar 2012. In 2011 worden bij de VRT ook geen nieuwe fictieseries geproduceerd. Bram Renders en andere Vlaamse scenaristen, van onder meer 'De smaak van De Keyser' en 'Flikken', geloven hun ogen niet.Met verbazing volgen wij, scenaristen, de laatste weken de onverwachte wendingen in de reality-soap rond de openbare omroep. Maar toen we woensdag in deze krant lazen dat de VRT in 2011 geen nieuwe series zal maken, overtrof de realiteit de fictie totaal. Want dit plan betekent dat tal van scenaristen vanaf vandaag voor minstens een jaar zonder werk vallen. Collectief technisch werkloos, als het ware.'Als het ware', want het is erger...
Lees meer over "Scenarist Bram Renders in De Standaard over besparingen VRT"

Nieuwjaarsbrief

Collega’s,

Bestuurders van de VAV zitten vaak aan vergadertafels waar gepraat wordt over kwesties die ons – auteurs, vertalers, scenaristen en illustratoren – zeer aanbelangen. Meestal zijn wij de enigen die daar onbezoldigd, want als vrijwilliger, aanwezig zijn. Het is verbijsterend om telkens omringd te worden door zo veel besliste en beslissende mensen die allemaal een goed loon ontvangen om te palaveren over het boeken- en letterenbedrijf dat er niet zou zijn zonder auteurs, vertalers, scenaristen en illustratoren die zorgen voor het basisproduct. Zij realiseren zich zelden dat een auteur, indien hij of zij ziek wordt, of afgeschreven wordt door het pers- en reclamesysteem, geen inkomen meer heeft. Zij realiseren zich zelden dat een hardwerkende en gerenommeerde auteur of vertaler in dit land naar schatting een gemiddeld nettoloon heeft van zowat 1200 euro per maand. Zij vergaderen en beslissen. En zij lezen ’s avonds mooie boeken, want zij houden van literatuur.
Dit moest me van het hart. Daarom staat het voor het werkverslag van 2009 dat u hieronder vindt.

Na enige commotie konden we in november 2009 het overleg opstarten met de nieuwe minister van Cultuur, Joke Schauvliege, en haar kabinet. Op die eerste ontmoeting werd duidelijk dat de minister niet te vinden is voor een voortzetting van de onder haar voorganger ingevoerde eregeldregeling. Zonde, want hierdoor zal een aantal verdienstelijke oudere auteurs opnieuw armoe gaan lijden.
Anderzijds is de minister wel bereid om mee te werken aan structurele wijzigingen in het sociaal statuut van de kunstenaar. Daartoe wordt een werkgroep opgericht waar de auteursvereniging deel van zal uitmaken. Ook het leenrecht zal daar ter sprake komen.

De leenrechtkwestie is en blijft een hardnekkig zeer. De meeste collega’s zullen in het eerste semester van 2010 voor het eerst leenrechtcenten ontvangen. De uitgekeerde bedragen zullen bedroevend klein zijn.
Wanneer de auteursvereniging de discussie over het leenrecht aangaat, gaat iedereen er volmondig mee akkoord dat de lage en uitblijvende uitbetaling schandalig is, maar meteen ontstaat ook de discussie over wie dan wel moet betalen voor een billijk leenrechtbedrag. Moet de overheid het leenrecht subsidiëren? Moet de bibliotheekbezoeker mee betalen? Of gaan we het nog anders regelen, zoals in Frankrijk, waar het leenrecht bekostigd wordt door een inhouding op de aankoopreductie die bibliotheken ontvangen bij de aankoop van boeken. De auteursvereniging heeft nooit een standpunt ingenomen in deze kwestie. In de ministeriële werkgroep waarin we straks zullen zitten, zullen we kleur moeten bekennen. Dat standpunt zal een en-en-en-verhaal zijn. Laat de overheid een stukje subsidiëren, laten we eens kijken naar een inhouding op de aankoopreductie én laat ook de bibliotheekbezoeker een stukje mee betalen (bv. via een bibliotheeklidgeld). Met dien verstande dat mensen die in armoede leven gratis naar de bib moeten kunnen.
Op het meer dan geslaagde en druk bijgewoonde werkcongres (meer dan 100 aanwezigen!) dat de VAV op 22 december 2009 organiseerde, ging 90% van de aanwezige VAV-leden ermee akkoord dat ook de bibliotheekbezoeker zijn duit in het leenrechtzakje moet doen.

Op dat werkcongres hielden we ook een ledenbevraging over het leesbevorderingbeleid. Een groot gedeelte van de Vlaamse letterensubsidie gaat naar de leesbevorderingsopdracht van de Stichting Lezen, die daarbij een zeer uitgesproken visie hanteert. Ze focust sterk op literatuur met een hoge drempel. Uit erg veel reacties die we daarover ontvangen blijken veel van onze leden hiermee niet akkoord te gaan. Daarom legden we hen op ons congres de volgende vraag voor: moet de Vlaamse Auteursvereniging ervoor pleiten dat ook subsidiemiddelen worden ingezet voor leesbevordering via de opstap van meer populaire lectuur, zoals seriestrips, fantasy, misdaadromans enz.? 90% van de aanwezige VAV-leden antwoordde ‘ja’ op deze vraag. We weten dus waarmee we naar de onderhandelingstafel moeten.

Ik overloop tot slot de andere dossiers waarmee we in de loop van 2009 bezig zijn geweest:
- met de Vlaamse Uitgeversvereniging onderhandelden we over een modelcontract voor oorspronkelijk werk. De gesprekken hierover zitten in een eindfase. We zullen u hierover spoedig meer nieuws bezorgen. In 2010 staat het vertalerscontract op de agenda;
- de VAV werkt mee aan de oprichting van de nieuwe auteursrechtenmaatschappij ‘deAuteurs’. Bedoeling is dat deAuteurs een Nederlandstalige, door auteurs bestuurde rechtenmaatschappij wordt die uitsluitend zal werken voor auteurs. Het dossier ligt momenteel bij de minister van Economie en wij hopen dat het project operationeel zal zijn tegen 30 juni 2010. U hoort er nog over;
- sinds 2009 is VAV lid van de CEATL, de Europese vertalersvereniging, zodat ook op dat niveau de ledenbelangen verdedigd kunnen worden. Wat de vertalers betreft, komt er een Vlaamse Cultuurprijs voor vertalingen naar het Nederlands. Die was er tot nu toe niet;
- een groot succes hebben de VAV-infoloketten die maandelijks plaatsvinden en waar leden individueel terecht kunnen met vragen over contracten, fiscale kwesties e.d.m.;
- het Sociaal Noodfonds van VAV (gesponsord door Ruit, De Standaard Uitgeverij, Standaard Boekhandel, Davidsfonds, Janssen- Arts, Veen Bosch & Keuning) verstrekte in 2009 toelagen aan vijf leden in financiële nood en betaalde het lidgeld van twaalf leden;
- in december 2009 ging de nieuwe VAV-website online. Wij excuseren ons voor de kinderziektes. De site wordt in 2010 uitgebouwd tot een plek waar onze leden exclusieve informatie krijgen.

Het moge duidelijk zijn dat VAV in 2009 niet heeft stilgezeten.
De financiële toekomst van de vereniging baart ons echter zorgen. De subsidie van het Vlaams Fonds voor de Letteren en de steun van SACD-Scam en SABAM volstaan niet om onze werking op termijn te garanderen. Zonder de bijdragen van onze leden zingen we 2010 niet uit. Bij dezen nodigen wij u graag uit de meer dan 500 auteurs die u als lid van de VAV voorgingen te vervoegen en de slagkracht van onze vereniging te versterken. Het lidgeld bedraagt onveranderd 60 euro, ereleden betalen 165 euro.
 

Namens de VAV-ploeg, en met dank voor het vertrouwen,

Erik Vlaminck,
Voorzitter

 

 

Annuleer